In wijnbeschrijvingen vind je vaak termen als fruitig, bloemig, kruidig, aards, houtig, mineralig, etcetera. Soms staan er nog veel specifiekere termen in zoals steenfruit, citrus, buxus, cederhout of kalk. De absolute waarheid die dit soort smaakbeschrijvingen lijken te bevatten en de stelligheid ervan, verbazen mij altijd zeer! Maar vooral hoe letterlijk de wijndrinkers deze omschrijvingen nemen is bijna grappig, alsof het om een ingrediëntenlijst gaat. Natuurlijk geeft het een beeld van de smaak van een wijn, maar neem het vooral niet te letterlijk: het gaat om het idee. Zelfs de beste proevers kunnen geen identieke smaakbeschrijvingen van één wijn maken.

Het belangrijkste om bij de omschrijvingen te bedenken, is dat ze niet daadwerkelijk in de wijn voorkomen, maar associaties zijn bij de smaken die je proeft (of eigenlijk: ruikt). Het is daarom het beste om er niet te stellig over te zijn en vooral geen ruzie te maken over verschillen in wat je proeft. Door creatief en praktisch na te denken over de verschillen, kan je juist tot hele leuke gesprekken komen.

Als ik bijvoorbeeld anijs proef, of in elk geval de associatie met anijs maak, dan kan een ander dat heel goed als drop-achtig benoemen. We bedoelen waarschijnlijk hetzelfde… Maar bij drop denk ik bijvoorbeeld weer meer aan salmiak. Een ander kan bij salmiakachtige smaak vooral de kruidigheid opvallen die daarbij hoort. Zo kan je behoorlijk langs elkaar heen praten en geloof me als ik zeg dat er op deze manier regelmatig menig dispuut ontstaat.

De hoofdgroepen waarin aroma’s voorkomen (en bijbehorende subsmaken) worden ingedeeld, verschillen nogal onder wijnschrijvers en andere wijnexperts. En dan ook nog eens in verschillende talen, cultuur speelt denk ik dus ook nog een rol. Ik heb hier gekozen voor een indeling die volgens míj logisch is, maar het is dus geen wetenschap en vooral geen absolute waarheid. Hanteer dus ook vooral je eigen associaties en ga er los en creatief mee om.

  • Fruitig – ruikt naar fruit (appels, citrus, aardbei, kersen)
  • Bloemig – ruikt naar bloemen (viooltjes, appelbloesem) of parfum
  • Kruidig – ruikt naar kruiden (salie, eucalyptus, thijm) of specerijen (kaneel, peper, kruidnagel)
  • Mineraal – ruikt naar mineralen (graniet, kalk)
  • Vegetaal of groente-achtig – ruikt naar planten (buxus, gras) of groente (paprika, asperges)
  • Houtachtig – ruikt naar hout (ceder, sigarenkist) of gebrand (toast, koffie, cacao, karamel)
  • Zuivelachtig – ruikt naar zuivel (boter, room, gist)
  • Animaal – ruikt naar dieren (muskus, natte hond) of dierenproducten (wol, leer, stal, kattenpis)
  • Aards – ruikt naar aarde (klei) of natuur (bos, mos, dennen)
  • Chemisch – ruikt naar chemicaliën (teer, aceton, petroleum, lijm)

Wat het proeven van deze aroma’s betreft, heb ik drie tips:

  • Je kan maar het beste beginnen in de hoofdgroepen, omdat je daar meestal wel overeenstemming over kan vinden met je medeproevers, maar ook omdat dat het gemakkelijkste te benoemen is. Hoe specifieker je benoemt, hoe moeilijker het wordt, én hoe meer discussie er ontstaat natuurlijk.
  • En laat je vooral niet gek maken als je niet alles precies zo proeft als een ander, ook niet als dat een expert is. Jouw associaties zijn subjectief, dus als je maar een beetje in de buurt zit qua aroma’s dan gaat het goed.
  • Oefenen, oefenen, oefenen! Als je vaker bewust proeft en de aroma’s probeert te benoemen, wordt je vanzelf beter. Luister naar anderen om je heen, wat proeven zij? Proef rustig nog eens en kijk of jij dat ook proeft (of iets in dezelfde hoofdgroep)

Maar die aroma’s komen natuurlijk wel ergens vandaan. Er bestaat een drieledige indeling van de aroma’s op basis van de herkomst, of eigenlijk wanneer ze ontstaan zijn. In mijn volgende blogpost zal ik daar dieper op ingaan.

Advertenties